Meer informatie over de transitie vindt u hier.
VMx vzw biedt professionele ondersteuning aan de milieuprofessional bij de uitoefening van zijn/haar beroep door middel van belangenbehartiging, informatieverstrekking en vorming (verplichte bijscholing).
Wetgeving
De taken, verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden van de milieucoördinator staan opgesomd in het DABM (Decreet Algemene Bepalingen betreffende het Milieubeleid)
Hoofdstuk II De milieucoördinator.
Artikel 3.2.1.
§ 1. De exploitanten van inrichtingen van eerste klasse dienen een milieucoördinator aan te stellen. De Vlaamse regering kan vrijstelling verlenen voor bepaalde categorieën van inrichtingen.
§ 2. De Vlaamse regering kan, door middel van sectorale voorwaarden, exploitanten van andere door haar aangewezen categorieën van inrichtingen verplichten een milieucoördinator aan te stellen.
§ 3. De vergunningverlenende overheid kan exploitanten van niet in § 1 of § 2 bedoelde inrichtingen de verplichting opleggen een milieucoördinator aan te stellen indien de aard van de inrichting, de aard van de milieueffecten die ervan uitgaan of de plaats waar ze gelegen is of uitgeoefend wordt, dit verantwoordt.
§ 4. De milieucoördinator kan een werknemer zijn van de exploitant of een persoon die geen werknemer is van de exploitant. Wanneer dit geen afbreuk doet aan een goede taakvervulling kan, met instemming van het door de Vlaamse regering aangewezen bestuur, voor twee of meer inrichtingen gezamenlijk een milieucoördinator worden aangesteld of kan een beroep worden gedaan op de diensten van een persoon die geen werknemer is van de exploitant. Dergelijke instemming is evenwel niet vereist wanneer het de aanstelling betreft van een milieucoördinator voor verschillende inrichtingen tegelijk die samen een bedrijfslocatie vormen onder controle van eenzelfde persoon of rechtspersoon.
§ 5. Wanneer verschillende inrichtingen samen naar het oordeel van de vergunningverlenende overheid een milieutechnische eenheid vormen, kan zij de aanstelling van een gezamenlijke milieucoördinator verplicht stellen. Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieutechnische eenheid vormen.
§ 9. De Vlaamse Regering kan voor het gebruik van de instemmingen gebruikseisen vaststellen.
Artikel 3.2.2.
§ 1. De milieucoördinator heeft onder meer tot taak :
- bij te dragen tot de ontwikkeling, de invoering, de toepassing en de evaluatie van milieuvriendelijke produktiemethodes en produkten;
- te waken over de naleving van de milieuwetgeving door meer bepaald op regelmatige tijdstippen controle uit te oefenen op de werkplaatsen, de zuiveringstechnische werken en de afvalstromen; hij rapporteert de vastgestelde tekortkomingen aan de bedrijfsleiding en doet voorstellen om deze te verhelpen;
- te waken over of in te staan voor de uitvoering van de voorgeschreven emissie- en immissiemetingen en de registratie van de resultaten ervan;
- te waken over het bijhouden van het afvalstoffenregister en de naleving van de meldingsplicht bedoeld in de artikelen 17 tot en met 21 en 23 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen;
- voorstellen te doen en bij te dragen tot de interne en externe communicatie in verband met de gevolgen voor mens en milieu van de inrichting, van haar produkten, haar afvalstoffen en de voorzieningen en maatregelen om deze gevolgen te beperken.
§ 2. De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieu-oogpunt relevant kan zijn. Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt. Op zijn verzoek wordt hij gehoord.
§ 3. De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven.
Artikel 3.2.3.
§ 1. Als milieucoördinator kan enkel een persoon worden aangesteld die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikt om de in artikel 3.2.2 bedoelde taken naar behoren te vervullen.
§ 2. De Vlaamse regering kan door middel van algemene of sectorale voorwaarden nadere eisen stellen inzake de opleiding, de beroepservaring en de overige voorwaarden waaraan de milieucoördinator moet voldoen. De Vlaamse regering kan overgangsmaatregelen treffen met betrekking tot deze voorwaarden, indien nodig, voor degenen die de taken van milieucoördinator, in de hoedanigheid van werknemer van de exploitant, al uitoefenen voor het van kracht worden van dit decreet.
§ 3. De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van het door de Vlaamse regering aangewezen bestuur. Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in § 1 en in voorkomend geval aan de in § 2 bedoelde voorwaarden, kan het bevoegde bestuur eisen dat de exploitant binnen een termijn die het bepaalt, een andere persoon aanstelt.
Artikel 3.2.4.
De exploitant is gehouden het nodige te doen opdat de milieucoördinator zijn taak naar behoren kan vervullen. Hij stelt hem hulppersoneel, lokalen, materiaal en middelen ter beschikking voor zover vereist.
Artikel 3.2.5.
De milieucoördinator die een werknemer is van de exploitant, mag geen nadeel ondervinden omwille van de taak die hij als milieucoördinator vervult. De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in artikel 3.2.3, § 3, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van het door de Vlaamse regering aangewezen bestuur.
Vlarem Subafdeling 4.1.9.1. De milieucoördinator
Artikel 4.1.9.1.1.
§ 1. De exploitant van een inrichting die in de indelingslijst als bijlage I bij titel I van het VLAREM is ingedeeld in de eerste klasse dient met ingang van 4 juli 1996 een milieucoördinator aan te stellen.
§ 2. De exploitanten van de volgende categorieën van inrichtingen zijn vrijgesteld van de verplichting om een milieucoördinator aan te stellen:
de inrichtingen die in de indelingslijst als bijlage I bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "N" zijn aangeduid.
§ 3. De vergunningverlenende overheid kan exploitanten van niet in § 1 of § 2 bedoelde inrichtingen de verplichting opleggen een milieucoördinator aan te stellen indien de aard van de inrichting, de aard van de milieu-effecten die ervan uitgaan of de plaats waar ze gelegen is of uitgeoefend wordt, dit verantwoordt. Zij bepaalt daarbij tevens het vereiste niveau van de in artikel 4.1.9.1.2., § 3 bedoelde aanvullende vorming.
§ 4. Wanneer dit geen afbreuk doet aan een goede taakvervulling kan, met instemming van de afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen, een milieucoördinator voor twee of meer inrichtingen gezamenlijk worden aangesteld, of kan een beroep worden gedaan op de diensten van een persoon die geen werknemer is van de exploitant. Dergelijke instemming is evenwel niet vereist wanneer het de aanstelling betreft van een milieucoördinator voor verschillende inrichtingen tegelijk die samen een bedrijfslocatie vormen onder controle van eenzelfde persoon of rechtspersoon. Het verzoek tot instemming bij de afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen omvat:
1° alle gegevens over de nadere eisen en voorwaarden waaraan een milieucoördinator moet voldoen;
2° een verklaring van de exploitant over het voornemen tot aanstelling van de milieucoördinator.
Ingeval de aanstelling een werknemer van de exploitant betreft, moet de verklaring, bedoeld in 2°, vergezeld zijn van het akkoord van het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk. Het verlenen van de instemming door de afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen betekent dat van rechtswege is voldaan aan de bepaling van artikel 4.1.9.1.1.
Wanneer verschillende inrichtingen samen naar het oordeel van de vergunningverlenende overheid een milieutechnische eenheid vormen, kan zij de aanstelling van een gezamenlijke milieucoördinator verplicht stellen. Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieutechnische eenheid vormen. Indien de milieucoördinator niet meer voldoet aan de voorwaarden om tot de functie van milieucoördinator te worden toegelaten of in het geval de milieucoördinator de door dit reglement aan hem/ haar opgelegde taken niet naar behoren uitvoert, kan de afdeling bevoegd voor milieuvergunningen, na de milieucoördinator te hebben gehoord, de verleende instemming intrekken.
Artikel 4.1.9.1.2.
§ 1. Als milieucoördinator kan enkel een persoon worden aangesteld die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikt om de in artikel 4.1.9.1.3. bedoelde taken naar behoren te vervullen.
§ 2. Onverminderd de bepalingen van § 1 moet de milieucoördinator met ingang van 4 juli 1997 voldoen aan de volgende nadere eisen:
1° eisen inzake opleiding en beroepservaring:
- a) een voldoende kennis bezitten van de milieuwetgeving en -reglementering van toepassing op de inrichting (en) waarvoor hij als milieucoördinator is aangesteld, alsmede van de nodige technische kennis om de problemen te bestuderen die zullen rijzen inzake milieu;
- b) voor de inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "A" zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat:
- ofwel, de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten, zoals vermeld in het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs;
- ofwel, een nuttige ervaring van meer dan vijf jaar hebben op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg;
- c) voor de inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "B" zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting en geen als bedoeld sub 1° omvat, van:
- ofwel, houder zijn van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of hogere secundaire leergangen;
- ofwel, een nuttige ervaring van meer dan drie jaar hebben op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg;
- d) zich permanent bijscholen inzake milieuwetenschappen, inclusief milieutechnologie en -recht evenals inzake de taken vastgelegd in het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid door het volgen van cursussen, seminaries, studiedagen, e.d.;
de bijscholing van de milieucoördinator bedraagt ten minste 30 uur per kalenderjaar; de aan bijscholing bestede tijd wordt voor de milieucoördinator-werknemer van de exploitant beschouwd als normale werktijd en de daarbij horende kosten worden vergoed door de exploitant;
seminaries, studiedagen e.d. komen slechts in aanmerking voor de permanente bijscholing mits de inhoud van deze seminaries, studiedagen e.d. betrekking heeft op de leefmilieuproblematiek in het algemeen;
de milieucoördinator is evenwel vrijgesteld van het volgen van de jaarlijkse bijscholing in een kalenderjaar en dit te belopen van het aantal uren dat hij in datzelfde kalenderjaar de aanvullende vorming volgt zoals bedoeld in § 3 van dit artikel.
2° overige voorwaarden:
- a) zijn burgerlijke en politieke rechten genieten;
- b) wanneer hij geen werknemer is van de exploitant, niet bezoldigd zijn door het Rijk, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de gemeenten, een vereniging van gemeenten of een daaronder ressorterende instelling of bestuur; deze voorwaarde geldt niet voor werknemers van een vereniging van gemeenten met betrekking tot inrichtingen geëxploiteerd door de bij deze vereniging aangesloten gemeenten of door een onder deze gemeenten ressorterende instelling of bestuur;
- c) verzekerd zijn inzake burgerrechterlijke aansprakelijkheid; wanneer hij een werknemer is van de exploitant, neemt de exploitant de kosten voor deze verzekering inzake burgerrechterlijke aansprakelijkheid voor zijn rekening;
- d) als de milieucoördinator geen werknemer is van de exploitant en hij met toepassing van artikel 4.1.9.1.1. § 4 voor twee of meer inrichtingen die samen geen milieutechnische eenheid vormen als milieucoördinator wordt aangesteld, als milieucoördinator erkend zijn door de Vlaamse minister;de aanvraag tot deze erkenning moet per ter post aangetekende zending worden ingediend bij de afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen; deze afdeling onderzoekt de aanvraag en maakt deze samen met haar advies over aan de Vlaamse minister die bij gemotiveerd besluit uitspraak doet over de aanvraag.
Om als milieucoördinator te kunnen worden erkend dient een persoon bij zijn aanvraag tot erkenning aan te tonen dat hij voldoet aan de vereisten vermeld in § 1, § 2, 1°, a), b), of c) naargelang het beoogde niveau, 2° a) en § 3 1° of 2° van dit artikel naargelang het beoogde niveau. De technische kennis vermeld in § 2, 1°, a), van dit artikel wordt voor het bekomen van deze erkenning slechts voldoende bewezen geacht indien de aanvrager aantoont een praktische ervaring te hebben van minimum één jaar in de aanpak en de voorkoming van de milieuhinder op bedrijfsniveau.
Indien de milieucoördinator niet meer voldoet aan de voorwaarden om tot de functie van milieucoördinator te worden toegelaten of de door dit reglement aan hem/ haar opgelegde taken niet naar behoren uitvoert, kan de Vlaamse Minister - nadat de milieucoördinator door de afdeling bevoegd voor milieuvergunningen werd gehoord - op gemotiveerd voorstel van deze afdeling, de verleende erkenning intrekken.
§ 3. Onverminderd de bepalingen van § 1 en § 2 en in zoverre de betrokkene niet is of niet wordt erkend als milieucoördinator door de Vlaamse minister op basis van een aanvraag die daartoe wordt ingediend voor 1 januari 2000, geldt voor milieucoördinatoren die vanaf die datum worden aangesteld als bijkomende vereiste dat zij:
1° voor inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "A" zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat:
met vrucht een erkende cursus van aanvullende vorming van het eerste niveau of een overgangscursus van het tweede naar het eerste niveau, bedoeld in artikel 4.1.9.1.6 hebben beëindigd;
2° voor inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "B" zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat:met vrucht een erkende cursus van aanvullende vorming van het tweede of het eerste niveau of een overgangscursus van het tweede naar het eerste niveau, bedoeld in artikel 4.1.9.1.6 hebben beëindigd.
In afwijking van deze bijkomende vereiste, vermeld in de eerste alinea, kan een persoon die werknemer is van de exploitant éénmalig en voor een periode van maximum drie jaar als milieucoördinator worden aangesteld op de voorwaarde dat hij/ zij is ingeschreven voor het volgen van de cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren.
§ 4. De milieucoördinator kan een werknemer zijn van de exploitant of een persoon die geen werknemer is van de exploitant.
§ 5. In afwijking van de bepalingen van de §§ 2 en 3 mag, bij wijze van overgangsregeling, degene die de taken van milieucoördinator in de hoedanigheid van werknemer van de exploitant al uitoefende vóór 4 juli 1996, en die niet voldoet aan de vereisten vastgesteld door de § 2, sub 1°, a), b) en c) en § 3 als milieucoördinator worden aangesteld en blijven aangesteld voor de inrichting en/of milieutechnische eenheid waarin hij is tewerkgesteld alsook voor soortgelijke inrichtingen en/of milieutechnische eenheden.
§ 6. Voor een inrichting die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "B" is aangeduid, en die door verandering van de inrichting of door wijziging van de indelingslijst met de letter "A" wordt aangeduid, mag de persoon die op de datum van bedoelde verandering of bedoelde wijziging van de indelingslijst als milieucoördinator was aangesteld, in de inrichting verder aangesteld blijven in zijn functie van milieucoördinator.
Artikel 4.1.9.1.3.
§ 1. De milieucoördinator heeft onder meer tot taak:
1° bij te dragen tot de ontwikkeling, de invoering, de toepassing en de evaluatie van milieuvriendelijke produktiemethodes en produkten;
2° te waken over de naleving van de milieuwetgeving door meer bepaald op regelmatige tijdstippen controle uit te oefenen op de werkplaatsen, de zuiveringstechnische werken en de afvalstromen; hij rapporteert de vastgestelde tekortkomingen aan de bedrijfsleiding en doet voorstellen om deze te verhelpen;
tenzij anders bepaald in de milieuvergunning moet de milieucoördinator ten minste éénmaal per trimester van een kalenderjaar zelf de controle, vermeld in het eerste lid, uitvoeren; deze minimumfrequentie geldt echter niet voor de onbemande installaties voor waterwinning (rubriek 53.9) en gasontspanningsstations (rubriek 16.5);
3° te waken over of in te staan voor de uitvoering van de voorgeschreven emissie- en immissiemetingen en de registratie van de resultaten ervan;
4° te waken over het bijhouden van het afvalstoffenregister en de naleving van de meldingsplicht bedoeld in de artikelen 17 tot en met 21 en 23 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen;
5° voorstellen te doen over en bij te dragen tot de interne en externe communicatie in verband met de gevolgen voor mens en milieu van de inrichting, van haar produkten, haar afvalstoffen en de voorzieningen en maatregelen om deze gevolgen te beperken.
§ 2. De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieu-oogpunt relevant kan zijn. Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt. Op zijn verzoek wordt hij gehoord.
§ 3. De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven. Hij bezorgt het verslag vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop dit betrekking heeft, aan de bedrijfsleiding, de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging. Het eerste jaarverslag voor de op 4 juli 1996 bestaande inrichtingen wordt bezorgd vóór 1 april 1997 en betreft het kalenderjaar 1996. Voor inrichtingen die in bedrijf worden genomen na 4 juli 1996 dient het eerste verslag te worden bezorgd vóór 1 april van het jaar volgend op het eerste volledige kalenderjaar van bedrijvigheid. Het verslag wordt ten minste gedurende vijf kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben ter inzage gehouden van de afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen alsook van de toezichthoudende overheid.
Artikel 4.1.9.1.4.
§ 1. De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in § 2, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van de afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen.
§ 2. De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen. Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in artikel 4.1.9.1.2. bedoelde voorwaarden, kan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen eisen dat de exploitant binnen een termijn die deze afdeling bepaalt, een andere persoon aanstelt.
§ 3. De kennisgeving, vermeld in § 2, kan voor een milieucoördinator-werknemer plaatsvinden door middel van een aanstellingsdossier dat op de exploitatiezetel ter beschikking wordt gehouden van de ambtenaren van de afdeling bevoegd voor milieuvergunningen en de afdeling bevoegd voor milieuhandhaving. Het aanstellingsdossier bevat de gedagtekende overeenkomst tussen exploitant en werknemer met betrekking tot de uitoefening door deze laatste van de functie van milieucoördinator en alle documenten waaruit blijkt dat de aanstelling van de milieucoördinator gebeurd is conform de bepalingen van de onderhavige toepasselijke afdeling 4.1.9.
Artikel 4.1.9.1.5.
De exploitant is gehouden het nodige te doen opdat de milieucoördinator zijn taak naar behoren kan vervullen. Hij stelt hem hulppersoneel, lokalen, materiaal en middelen ter beschikking voor zover vereist. De milieucoördinator die een werknemer is van de exploitant, mag geen nadeel ondervinden van de taak die hij als milieucoördinator vervult.
Artikel 4.1.9.1.6.
§ 1. De programma's van de cursussen van aanvullende vorming bedoeld in § 3 van artikel 4.1.9.1.2. worden door de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu erkend op advies van de afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen. De erkenning wordt verleend voor een termijn van maximum 5 jaar. Deze termijn is verlengbaar met termijnen van telkens maximum 5 jaar.
§ 2. Om erkend te kunnen worden beantwoorden de programma's van de cursussen van aanvullende vorming ten minste aan de voorwaarden vastgesteld in bijlage 4.1.9.1.6..
§ 3. Tot de cursussen van aanvullende vorming van het eerste niveau, worden slechts toegelaten de kandidaten die:
1° ofwel de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad zoals bedoeld in het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs hebben;
2° ofwel een nuttige ervaring van meer dan vijf jaar hebben op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg.
Tot de cursussen van aanvullende vorming van het tweede niveau, worden slechts toegelaten de kandidaten die:
1° ofwel houder zijn van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of hogere secundaire leergangen;
2° ofwel een nuttige ervaring van meer dan drie jaar hebben op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg.
Tot de overgangscursussen van aanvullende vorming van het tweede niveau naar het eerste niveau worden degenen die geslaagd zijn voor een cursus van het tweede niveau toegelaten.
§ 4. De cursus wordt afgesloten met een examen en met een eindwerk binnen het programma van de opleiding. De afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen wordt in kennis gesteld van de datum van de examens en van de bespreking van het eindwerk. Afgevaardigden van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen hebben steeds vrije toegang tot de cursus en de examens.
§ 5. De aanvraag tot erkenning van de cursus wordt ingediend bij de afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen. Zij bevat ten minste de volgende gegevens:
- statuut en doelstelling van de inrichtende instelling;
- eventueel verband met andere vormingsprogramma's;
- samenstelling van de toezichts- en/of programmacommissie;
- lijst van het docentenkorps (naam, diploma, kwalificatie);
- naam van de cursuscoördinator(en);
- infrastructuur (leslokalen, didactisch materiaal, bibliotheek);
- plaats, datum, lesrooster;
- examens en certificaten of diploma's.
- De afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen kan in het kader van het onderzoek van de erkenningsaanvraag:
- bijkomende inlichtingen vragen en de aanvragers horen;
- bijkomend advies inwinnen van personen deskundig inzake het milieu- en het extern veiligheidsbeleid.
§ 6. Wanneer de aanvangsdatum van de cursus zich situeert binnen een periode van drie jaar welke de aanvraag tot erkenning voorafgaat, kan de cursus retroactief worden erkend op de voorwaarde dat deze het in § 2 vermelde programma omvat. De toelatingsvoorwaarden tot de cursus zoals bedoeld in § 3 zijn deze die van toepassing zijn op het ogenblik dat de erkenning wordt verleend.




